De film 'Powers of ten' van Charles en Ray Eames is uit 1977 en vertrekt met de macht 10 van de aarde naar de hemel en dan terug van de aarde naar een microkosmos. De film is oud, hij stopt bij twee clusters van sterrenstelsels, we kunnen tegenwoordig verder zien, er zijn talloze clusters. Iemand die er verstand van heeft moet maar eens een upgrade maken, maar dan vertrekkend vanaf het Bos en Lommerplein.
Vanochtend stond ik om half acht op, douchte en kleedde mij, betrad de voorkamer, keek uit het raam en zag al die verlichte vensters... Ik kan niet beschrijven hoe een troostende saamhorigheid daarvan uit ging. Na jaren ploegendienst, ben ik nu cursusleider geworden. Niet meer hoef ik eenzaam – als iemand van achter – mijn dag midden in de nacht te beginnen, of te beëindigen, eindelijk mag ik – als iemand van voor – mee met het ritme van de maatschappelijke golfslag; nooit meer die stille kille duisternis, maar eindelijk burengerucht en warmte uitstralend licht. Ik wilde mijn buren hartelijk omhelzen en bedanken – al zouden zij dat niet direct begrijpen en ik had er natuurlijk ook geen tijd voor. Om half negen verliet ik mijn woning op weg naar mijn werk.
Straks zal ik de mensen die ik ’s ochtends tegenkom herkennen, want ik vermoed dat de meesten elke dag op hetzelfde tijdstip met hetzelfde bezig zijn. Je kunt er zogezegd de klok op gelijk zetten. Misschien zijn er onder u lezers die neerbuigend reageren met woorden als ‘routine’ of zelfs ‘sleur’, maar die zullen waarschijnlijk nooit jarenlang ploegendienst hebben gedraaid. Ikzelf vind het heerlijk om op te gaan in de spits, die enorme stroom van mensen, allen tezamen op weg naar werk – of ervan terug komend.
Toen ik vanochtend naar mijn werk fietste was het nog donker, toen ik vanmiddag naar huis ging was het weer donker. We leven wel in een put. Na thuiskomst koken en eten, het NOS-journaal en nog iets kijken en dan, met de buren aan de voorkant, naar bed. Met als lichtpunt: morgenochtend diezelfde overburen.
JV
Mij wordt op straat nogal eens gevraagd waar of het postkantoor is. Blijkbaar zie ik eruit als iemand die dat weet. Als een vriendelijke automaat antwoord ik inmiddels dat het postkantoor gelegen is aan de Bos en Lommerweg, op nummer 291-295, postcode 1055 DX, open van maandag tot en met vrijdag van 900 tot 1800 uur en op zaterdag van 1000 tot 1330 uur. (Voor bezoekers van deze pagina die meer willen weten, verwijs ik naar http://www.postkantoor.nl.)
Maar elke keer als ik mensen de weg naar het postkantoor heb gewezen, voel ik mij merkwaardig goed, een lichamelijk voelbare vrede trekt dan als een golf door mij heen. Waarom? dacht ik laatst, hoe kan dat?
Gisteren las ik het boek ‘Uw brein als medicijn’, waarin die vraag werd beantwoord. Dr David Servan-Schreiber geeft daarin uitleg over hoe het brein werkt en vertelt waarom gevoelens zo belangrijk zijn en op welke wijze je die gevoelens kunt aansturen. Als je zijn adviezen opvolgt, die allemaal wetenschappelijk gefundeerd zijn, dan kun je gewoon niet meer dood gaan.
Vanmiddag heb ik voor een half jaar aan visoliecapsules gekocht (omega 3, vooral eicosapentaeenzuur (EPA), met vitamine E) die goed zijn voor de opbouw en soepelheid van de hersencelmembranen en daarom een algehele verbetering van het functioneren van de hersenen te weeg brengen. Morgen zal ik proberen invloed uit te oefenen op mijn hartcoherentie (door langzaam adem te halen, mijn hart te voelen en de warmte in mijn borst te ervaren) en ook ga ik mij twintig minuten lang in de hal bewegen. Overmorgen zoek ik dan al in de morgen het licht van buiten op. Mocht ik ondertussen spanningen ervaren, dan kan ik druk uitoefenen op mijn pols (onder de pink, bij dat uitstekend botje) of op de rug van mijn hand tussen duim en wijsvinger of ik kan denken aan wat ik vrees en dan mijn vingers voor mijn gezicht heen en weer bewegen om deze met mijn ogen te volgen. Ten slotte moet ik mij in de komende weken liefdevol opstellen jegens de medemens en beseffen dat ik die medemens hard nodig heb voor mijn neurologisch welbevinden.
Ik hoop dan ook dat mensen mij blijven vragen naar het postkantoor.
JV
Als iemand zegt dat ik er slecht uitzie, dan zeg ik: tja, ik heb helaas dsps. Ook wanneer ik lui, te laat, ongeconcentreerd, langzaam, stil of ongedisciplineerd heet te zijn, stel ik er mijn diagnose tegenover: dsps oftewel ‘delayed sleep phase syndrome’. Het is een ook door de Nederlandse Vereniging van Huisartsen erkende stoornis die er simpelweg op neer komt dat iemand gewoon functioneert wanneer hij om een uur of één ‘s middags opstaat en rond vijf uur ’s ochtends naar bed gaat. De epifyse is namelijk door een gendefect traag en reageert nauwelijks op lichtveranderingen, waardoor de juiste melatoninespiegel in het bloed voor inslapen respectievelijk ontwaken lang op zich laat wachten. De problemen beginnen als er om zeven uur ’s ochtends een wekker afgaat, die de patiënt oproept voor het werk. Of wanneer er om negen uur ’s ochtends een schoorsteenveger voor de deur staat, of wanneer er om elf uur een afspraak bij de tandarts is enz. Het maatschappelijk leven is niet ingericht op het circadiane ritme van de dsps-patiënt.
Een afdoende behandeling bestaat niet – een gendefect valt immers niet te repareren. Maar om toch wat te doen volg ik nu chronotherapie (ik heb er vakantie voor genomen): eerst een week leven volgens mijn biologische klok en daarna elke dag een uur láter naar bed, zodat ik na 18 dagen om elf uur ’s avonds kan inslapen en om zeven uur ’s ochtends kan opstaan. Op de chronotherapie volgt dan lichttherapie: na ontwaken direct een uur kijken in (kunst)zonlicht (van minstens 10.000 lux) – melatonine suppletie acht mijn neuroloog niet zinvol. En tenslotte moet ik het nieuwe dagnachtritme consolideren met een strikte regelmaat – één onregelmatigheid (feestje, uitslapen) en ik kan weer overnieuw beginnen. Ik heb trouwens ook cognitieve gedragstherapie, omdat de kerngedachten over mijzelf en de maatschappij in de loop der jaren verstoord zijn geraakt door mijn ‘abjecte levenswijze’.
De
lichten aan de overkant gaan uit, het wordt stil op straat, zonder strijd
tussen schuld en protest kijk ik naar de sterrenhemel,
is de nacht niet mooier dan de grauwe morgen?
JV
Het is 9 graden Celsius, zacht voor de tijd van het jaar, en het is droog, al zijn de straten nog nat. Net regende het modder, zo zwaar en somber waren de druppels. Omdat het de komende dagen, weken en maanden nou eenmaal niet anders zal wezen, trek ik mijn jas aan, loop door de straten en zoek een bankje uit op de Bos en Lommerweg. Ik wil én tussen de mensen verkeren én lezen in mijn boekje van Joseph von Eichendorff, ‘Aus dem Leben eines Taugenichts’. Het winkelend publiek stoort zich niet aan mij en er komen geen mensen naast me zitten die voor mij afleidend zijn. Toch kan ik me niet direct goed concentreren; behalve dat het hier toch wat koud aanvoelt en mijn broek regenwater van de bank heeft opgenomen, speelt de vraag door mijn hoofd of mijn stemming het weer beïnvloedt of het weer mijn stemming. Het is me namelijk opgevallen dat ik vaak vrolijk ben als de zon schijnt en verdrietig als het regent, zonder dat ik had opgelet wat als eerste kwam. En nou ik goedgemutst met Eichendorff buiten zit, lijkt zowaar de zon voorzichtig door te breken.
Vorige week las ik in de openbare bibliotheek de kranten, ik voelde mij leeg en saai en het verbaasde mij niet dat ook het nieuws leeg en saai was. Mijn gevoelens hebben invloed op de wereld! U kunt zich voorstellen dat ik mij schuldig voelde. Maar ik wist nog niet dat er een verband bestond! Aanvankelijk probeerde ik een wederzijdse onafhankelijkheid te bewerkstelligen, maar ja: hoe? Later bleek een positieve beïnvloeding de enige oplossing.
Daarom zit ik hier nu te lezen in een mooi romantisch boekje waarin de zon schijnt en de mensen aardig zijn. Ook heb ik iets gevonden voor dat lezen van kranten. Om uit de negatieve spiraal te komen, van saai naar saai nieuws en van somber naar somber nieuws om daar dan weer saai en somber van te worden met alle gevolgen van dien, besloot ik geen kranten meer te lezen en dat half uur te besteden aan iets dichterbij. Ik kijk naar de straat voor mijn deur, verwijder wat zwerfvuil, leg een tegel recht, groet voorbijgangers die ik niet ken en leer de kinderen dat mij na te doen. Ik hoor in mijn hoofd, terwijl ik een blikje uit de gemeenschappelijke tuin oppak, over de machteloosheid van de burger. Wat voor machteloosheid is dat? Mij komt die voor als een zinloos klagen. Alles eisen, alles naïef verwachten, maar zelf louter voor de televisie hangen en scheten laten. Het zijn kinderen, denkt de ambtenaar geïrriteerd, maar zijn het kinderen? En moet je ze als zodanig behandelen?
Zie je! Zie je! Het begint weer te regenen. Ik wist het! Dat gezeik!
Ik sla mijn boekje dicht en sta op. Een jongetje komt naar mij toe en vraagt: 'Wordt het oorlog?' Waarom vraagt hij dat aan mij? Ik kijk hem vriendelijk en recht in de ogen aan en antwoord: 'Als je wilt wel.'
JV
Het is
hier iets te koud. Het vuurtje dat ik midden in de kamer stook geeft te weinig
warmte. Maar meer vuur geeft meer rook en ook moet ik oppassen dat de vlammen
het plafond niet raken, anders vliegt de hele boel hier in de fik. Ik lees in
ons stadsblad 'De Echo' dat Bos en Lommer 15,3 miljoen euro van het Rijk krijgt
en dat wij, de bewoners, er volgende week over mogen praten waaraan dit geld te
besteden. Gelukkig heb ik zelf niks nodig.
Is 15,3 miljoen euro veel? Elk woord over de besteding ervan kost een euro. Ik
ga bijles Duits geven tegen slechts een reiskostenvergoeding. En Orion staat
dezer dagen gratis en goed zichtbaar aan het firmament.
Een psychiatrisch patiënt vroeg me bij de kassa hoe of ik heette en vertelde
dat iedereen een filosofie moest kiezen die hem het meest lag, zonder anderen
te schaden, dat de waarheid niet bestond, de geestelijke gezondheidszorg
nauwelijks iets te bieden had en dat hij mij een joviale kerel vond. In een
buurtcafé sprak ik even met een vaste alcoholist, hij zei dat ie er al dertien
jaar om de een of twee dagen kwam, en we hadden het vrijwel meteen over de
buitenlanders – die gasten lijken wel geen ander onderwerp te kennen. Ik had
net ‘Utopia’ van Thomas More gelezen en stelde voor elke leegloper slavenarbeid
te laten verrichten, tot nut van de gemeenschap en met de mogelijkheid zichzelf
vrij te maken door gehoorzaamheid en hard werken, maar hij vond dat – wellicht
zichzelf indachtig – toch wat te ver gaan.
Zojuist Souhailla geholpen met een sinterklaasrijm, ze houdt het met een
gereformeerde jongen, waardoor ik mij afvroeg: wat moeten een moslima en een
gereformeerde familie bij Sint Nicolaas, een katholieke bisschop? Maar tolerant
is het wel.
En het is volle maan, dus iedereen mag een beetje gek zijn. Zolang je anderen
maar geen schade berokkent.
Er wordt stevig op de deur geklopt. Wie zou dat zijn? Iemand die verdwaald is
zeker.
JV
Ik was te laat! Ik had cognitieve gedragstherapie gehad en fietste rond vijf uur langs het grand café Bos en Lommer, zag al wat mensen zitten, moest evenwel eerst naar huis om mijn spullen af te leggen en snel wat te eten, maar rond half zes zat ik er dan toch. Aan tafel 4. Aan tafel 2 zaten twee studenten met elkaar te praten. Zouden zij voor de buurtborrel zijn gekomen? Aan tafel 1 zat een wat oudere man alleen. Hij misschien? Ik bestelde een biertje om me wat moed in te drinken, want het was duidelijk dat IK deze mensen moest gaan aanspreken. Hoe te vragen? We zaten aan het raam dat uitkeek op complexen van de Buskenblaserstraat, de Hoofdweg en het Bos en Lommerplantsoen, allemaal in aanbouw; over enige tijd wordt dit café werkelijk het uitgaanscentrum van de wijk, verwachtte ik, al moet de muziek er nog ietsje voor worden bijgesteld. Ik keek naar het interieur en dat beviel mij: ruimte, licht, parket op de vloer en degelijke, prettig zittende, eikenhouten stoelen. Toen ik mij warm begon te voelen, stapte ik op de studenten af en vroeg of zij van de ‘periodieke middag- of buurtborrel’ waren. Ze keken bevreemd op, maar ik trok een smoel alsof er niks vreemds aan de hand was en dat werkte. ‘Nee,’ zeiden ze beleefd, verbaal de ene, non-verbaal de andere, en ik bestelde bij de gastvrouw die net de menukaarten ophaalde onverstoorbaar een tweede bier en ging direct weer aan mijn tafel zitten, prakkiserend: cognitieve gedragstherapie brengt catastrofaal denken terug naar normale proporties, maar kan andersom ook gebruikt worden om van niks iets groots te maken, iets moois. Buiten liep een homostel langs, met een klein hondje in hun midden, en slierten moslima’s en mannen met een getinte huidskleur kwamen mogelijk terug van het vrijdaggebed in de moskee. Of ze waren wezen shoppen. Ik dacht aan mijn excursie naar Marokko en vond al die mensen op straat, terwijl het toch al donker was, een sfeervolle aanblik geven. Een bruggebouw over de A10 West heeft gevelverlichting die van kleur verandert, het zijn geen regenboogkleuren, want ik zag dat de kleur groen passeerde. Ook viel me een verlicht uithangbordje op: ‘Te huur: npd 023 5384844’. Wat is npd? Ik bellen. De nationale publiciteitsdienst. De wat? Lichtmastverhuur. Nee, niet de dienst zelf is te huur. Al staat dat er eigenlijk wel. Ik moest ervan plassen. Ik negeerde het bordje op de bar (‘toilet 1 euro’), want ik veronderstelde dat dit alleen gold voor winkelend publiek en marktbezoekers die alleen kwamen om verder niets te gebruiken. Op het herentoilet beplaste ik een rood matje met een zwarte vlek die door de warmte van mijn urine verdween en de tekst gaf: ‘Have a nice day’. Je pist ergens op en krijgt toch een allervriendelijkst woord terug; kijk, dacht ik, zo zijn nou de mensen in Bos en Lommer...
Bos'lomma,
Johannes Verhulst.
Aziza Jalal (Meknès, 1958) heeft niets met Bos
en Lommer te maken. Maar ze heeft een mooie stem. Ze zong liefdesliedjes tot
haar huwelijk in 1985, daarna mocht het niet meer of kon zij de woorden niet
meer uit haar strot krijgen.
JV
De hemel hangt als een geoxideerde
aluminiumplaat boven de wijk. Het bladgroen van de bomen en struiken slaat
grijs uit. Ik loop langs stalen steigers van een woningencomplex in aanbouw en
ruik het natte beton. De voorbijgangers hebben hun jassen weer aangetrokken en
zijn vormeloze stoffen gedrochten geworden. Als het straks gaat motregenen, dan
gaan die jassen bovendien stinken. Ikzelf ben lelijk, mijn gelaat is grauw,
onder mijn ogen de wallen die ook na een nacht goed slapen niet meer
wegtrekken. Eigenlijk zou ik niet naar buiten mogen, zo onder de mensen, maar
op enkele jonge meisjes na ziet iedereen en alles er vandaag wanstaltig uit, al
doen we alsof er niks aan de hand is. Het is koud. Ik denk dat ik een
leverkwaal heb, en God weet wat nog meer sinds ik een kwartier in de wachtkamer
van de huisdokter doorbracht, maar de dokter heeft niets kunnen vinden. Toen ik
de praktijk verliet zag ik een GSM-zendmast op het dak aan de overkant staan en
begon mij iets te dagen. Terwijl ik die straling in mijn benen voel, betreed ik
de trappen naar het plein en zie voor mij een moslima lopen in een getailleerd
jasje en lange rok. Omdat zij ook naar de bibliotheek lijkt te gaan, houd ik
mijn pas in, anders denkt zij misschien dat ik haar achtervolg. Het is maandag
en op maandag is er geen markt op het plein. Ik stap een grote glazen hal
binnen en ga de trap op, waarvan ik halverwege uitkijk op een file van de A 10
west. Eenmaal in de bibliotheek koop ik enkele afgeschreven boeken en reken af
bij de balie. Even is er een probleempje, want het personeel mag niet meer met
geld omgaan, waardoor ik moet betalen via mijn bibliotheekpasje bij een
betaalautomaat, maar ik heb mijn pasje niet bij me. ‘Het is vanwege de
veiligheid,’ verontschuldigt de medewerkster zich en vindt gelukkig een
oplossing. Weer terug op het plein word ik bevangen door een schemering, het
schemerde buiten wel, de hele dag eigenlijk al, maar deze duisternis wordt
veroorzaakt door uitvallende hersengebieden: ik ga dood. Een doodsangst gonst
door heel mijn lichaam en ik denk verbaasd: ‘ik hoef er niet eens zelfmoord
voor te plegen.’ Ik bedank mijn ouders, mijn broers en zusters, mijn nichtjes
en neven, Souhailla, Hassan die vandaag jarig is, Eline, Lotte, mijn collega’s
en al die andere mensen die mij lief zijn. En nu trekt er geen angst, maar
louter liefde door mijn lijf. En het vreemde is: ik sta en val niet neer. Een
man in een leren jack passeert mij en zijn geur brengt een herinnering naar
boven uit mijn kinderjaren. Maar niet zie ik mijn héle leven als in een film
voorbijgaan. Ik sta hier nu al enige tijd en het begint op te vallen. Het
begint te motregenen. Voorzichtig zet ik een stap. En nog een. ‘Je moet net
doen alsof je niet dood gaat,’ adviseer ik mezelf. En waarachtig, ik wandel en
kom uiteindelijk thuis.
JV
Zelfs
in tijden van oorlog zie je dat handelaren van beide partijen een oogje
dichtknijpen en alle conflicten terzijde leggen om hun goederen uit te kunnen
wisselen. Handel is handel. Handel brengt mensen tot elkaar, ondanks hun
meningsverschillen op allerlei andere gebieden. Op het jaarlijkse Bos en
Lommerfestival, wanneer de wijk volstroomt met mensen, zie je vooral
marktkramen met handelswaar. Op koninginnedag is de grootste trekker van mensen
de vrijmarkt. In alle steden en dorpen worden drukbezochte braderieën gehouden
– een braderie is een chic woord voor rommelmarkt. Hoe kan ik dus met dit
weblog beter de cohesie in de wijk bevorderen dan door de bewoners uit te
nodigen om hun tweedehands waar of troep of rotzooi hier aan te bieden? Plaats
op ‘reageren’ en reageer op ‘profiel’! Het is prettig om je bankstel of
computer niet meteen op straat te hoeven zetten en het is ook fijn om niet
ergens van ver weg een kast of stoel te moeten ophalen. Geen taxi’s of
huurauto’s. Je kunt even langskomen om te kijken of het wat is. En misschien
het allerbelangrijkste is wel dat alleen buurtgenoten je zullen willen helpen
met sjouwen bij het vervoer.
JV
Door beslommeringen arriveerde ik een half
uurtje te laat in het grand café aan het Bos en Lommerplein. Souhailla, die van
de vorige keer, moest vandaag helaas werken. Toen ik de zaak binnenkwam zaten
er slechts twee klanten aan de bar, alle tafeltjes waren vrij en ook op het
terras zat niemand. Gelukkig, dacht ik, als van de 260 genodigden er 26 komen,
dan heeft iedereen plaats. De muziek stond zacht en zei me niet veel, legde
geen sfeer op en liet ruimte voor andere geluiden. Ik werd vriendelijk geholpen
aan een kopje koffie en ging op het terras mijn krant lezen. Over de
verkiezingen in Marokko. Souhailla sms-te ik dat hier alles okay was.
Zij is mijn steun en toeverlaat en
heeft me op het hart gedrukt dat ik mensen de tijd moest geven om over hun drempelvrees
te raken. ‘Ze willen wel, maar durven niet.’ Ik sputterde nog wat tegen en
noemde ‘slechte tijd’, ‘slechte plaats’ en zelfs ‘slechte persoon’, maar die
bepalingen achtte zij van geen enkel belang. Het is louter angst. Ik las verder
over een bomaanslag in Algerije.
De markt werd afgebroken en het plein
opgeruimd. Ze laten markten nooit staan omdat ze de volgende dag toch weer
gebruikt worden, maar breken ze elke dag af en bouwen ze elke dag op. Mensen
voeren elke dag dezelfde handelingen uit. Ik begon te piekeren over mijn eigen
gewoonten.
Kwam er nou maar iemand. Je hebt
anderen nodig om niet over jezelf na te hoeven denken. Ik belde Souhailla op en
zei dat al die mensen op internet helemaal niet bestonden, dat al die Bos en
Lommer hyvers fictief waren, aangemaakt door de AIVD of de stadsdeelraad, om de
schijn van cohesie te wekken, Souhailla, zei ik, het is een complot, ik weet
het zeker, ben jij ooit iemand van die hyvers op straat tegengekomen?
‘Drink je?’ vroeg zij.
‘Koffie,’ antwoordde ik.
‘Heb je je medicijnen ingenomen?’
‘Vergeten.’
‘Ah, dat is het dus. Neem ze meteen in
en je zult merken dat er niets aan de hand is.’
Vanwege die pillen moest ik dus ook
nog eens een half uur eerder naar huis.
JV
Wat heb ik allemaal niet meegemaakt in deze
woning? Helaas kan ik daar niet over praten, ik moet hier ruim 30.000 inwoners
vertegenwoordigen en dus mag ik niet naar binnen, maar moet juist naar buiten
kijken. Wat zie ik als ik naar buiten kijk? Beneden de hemelse luchten wonen 72
maagden (‘blonde hoeren’) in even zovele woningen, van nummer 3 tot nummer 21.
Deels koop, deels huur – die woningen. Aanvankelijk lette ik er niet zo op,
maar toch begon mij in de loop der jaren een patroon op te vallen. De meiden
werken van negen tot vijf, zitten ’s avonds alleen, achter de computer of
televisie kijkend, maanden achtereen, krijgen dan plotseling een vriendje die
af en toe eens langskomt, die ’s ochtends naakt de balkondeuren opent om zijn
door haar gewassen ondergoed van de lijn te trekken, vervolgens zijn de meiden
bijna nooit meer thuis en ten slotte is er de verhuizing, waarna een volgende
haar intrede doet. Het is weliswaar een verversing van het uitzicht, maar toch
vraag ik mij af: waarom komen de jongens niet eerst bij de meisjes wonen?
waarom geven die meisjes zo gemakkelijk hun zo mooi (met veel hulp van hun
ouders) opgeknapte en ingerichte thuisbases op? Als ik die jongens zo zie, zie
ik hen geen betere woningen bezitten.
Ondertussen worden 18 van de 72 woningen
praktisch niet bewoond. En dan heb ik het alleen over het stukje straat
tegenover mij. Dat is pijnlijk als een vriend in nood mij vraagt naar
woonruimte.
Mijn Marokkaanse en Turkse buren zijn
wat dat betreft efficiënter en minder belastend voor de voorraad. Hun dochters
trouwen uit huis.
Vanmiddag vroeg een meneer mij waar de
Sanderijnstraat was, hij was op zoek naar een koopwoning voor zijn zoon. Die
vaders vandaagdedag hebben niks meer te doen en willen maar blijven zorgen voor
hun kroost. En het kroost vindt het best. Ik weet niet hoe het de zonen
vergaat, maar de dochters lijken weinig waarde te hechten aan wat hun ouders
voor hen doen. Tegenover mij staat een mooie, betaalbare woning te koop, maar
ik wees de vader netjes aan waar de Sanderijnstraat was.
Ik wil liever weer een dochter.
JV
Toen ik hier via de toenmalige Dienst
Herhuisvesting terecht werd gesteld, dacht ik: dit is zo’n vreselijk saaie
zelfmoordbuurt. Het eerste argument waarmee ik mezelf moed insprak, waren de
namen van de straten: Baeto, Woutertje Pieterse, De Schaapherders, Lanseloet,
Twee koningskinderen, Hertspieghel, Gulden Winckel, Lidewijde. De tweede troost
overviel mij toen ik in mijn pas gewitte kamer de januarizon gereflecteerd zag,
het hemels felle licht gaf mij een soort aureool en bracht mij in een soort
extase. Het derde wat mij opviel was de stilte, geaccentueerd door enkele
kinderstemmen. Het was koud, ik stond fors rood en moest eten op de vloer, koud
uit blik, maar ik wist dat ik hier, met alleen God als bovenbuur, in een
paradijs op aarde terecht was gekomen.
Toen ik mijn broer rondleidde, merkte hij op: ‘En je hebt een prachtig
uitzicht!’ Ik keek naar de schilderachtige lucht die van linksboven naar
rechtsonder van diepblauw naar blauwwit overging en erkende: ‘Ja, prachtig!’
Maar hij bedoelde een meisje aan de overkant, dat net de was aan het ophangen
was.
We zijn nu jaren verder, de zon zakt weer, het wordt kouder, meisjesstemmen
ergens beneden mij, de woning is ingericht en ik sta al lang niet meer rood,
een jonge vrouw lapt haar ramen en mijn aardappelen, groente en vlees pruttelen
op het fornuis in de keuken. Een paradijselijke toestand.
JV
Het moeilijkste om te begrijpen en het meest
teleurstellende in mijn leven was wel dat mijn gelijk niet ook dat van een
ander was. Ik besef nu dat ik vaak verkeerd zie. Soms verander ik van inzicht,
omdat ik merk dat mijn mening onhoudbaar is.
Niet
zonder schaamte.
Maar
het ergste was toch die eerste keer: het moeten opgeven van een persoonlijk
geworden, maar volstrekt onjuist wereldbeeld.
JV
Om hier in te burgeren heb ik laatst de Koran
gelezen. Van kaft tot kaft. Wat me daarbij als eerste opviel was de
merkwaardige volgorde van de hoofdstukken ('soera’s'). Die wordt namelijk niet
door tijd, plaats, persoon of onderwerp bepaald, maar door de lengte: de
langste soera’s aan het begin en – aflopend – de kortste aan het eind. Wellicht
moesten de kinderen van achteren naar voren, van de kortere naar de langere
stukken, het boek doorwerken en is het indertijd een onderwijskundige kwestie
geweest.
Wat me vervolgens verbaasde was dat ik als ex-christen bijna alle verhalen al
kende, uit de Bijbel. Als je uit de Koran de vele herhalingen schrapt en de
verhalen uit het Oude en Nieuwe Testament met een verwijzing afdoet, dan hou je
misschien een paar pagina's tekst over. Het leek me zelfs onmogelijk om de
Koran te begrijpen zonder de Bijbel te kennen. Blijkbaar werd die indertijd
bekend verondersteld.
De Koran is derhalve een ‘samenvatting’ van de Bijbel, een nogal drastische
samenvatting, met daarbij wat commentaar, omdat indertijd de Arabieren nog
andere goden aanbaden of Jezus als een god beschouwden, terwijl er toch slechts
één Jahwe, is God, is Allah bestond, en omdat die Arabieren de ijdele genoegens
belangrijker vonden dan de duurzame; Mohammed voelde zich door zijn tijdgenoten
als profeet niet erg serieus genomen. Maar hij troostte zich – pagina na pagina
– met de gedachte dat ook eerdere profeten niet werden geloofd – de ongelovigen
wachtte echter ‘een pijnlijke bestraffing’.
Allah zei tegen Mohammed telkens: ‘zeg’ (lees op). En Allah zei via Mohammed
dat Hij het niet goed vond dat er aan Zijn Woord wat uitgewist of bijgelapt
werd. Maar wat gebeurde er? Enkele ‘mannen in overeenstemming’ (met name
Boekharie en Moeslim) lapten er 130 jaar na zijn verscheiden 'de overleveringen
van Mohammed' ('ahadith') bij en daaruit kwamen dan weer de 'voorbeeldige
handelingen' ('soennah') voort en de 'wetten' (‘sharia’). Met die verering van
Mohammed werd Allah’s gebod om Hem ‘geen genoten te geven’ overtreden, niet
Mohammed immers maar Allah sprak, de Enige die vereert mocht worden. Niet voor
niets schreef de profeet telkens: ‘zeg’ (lees op).
Waarom toch knutselen de mensen aan Het Woord van Jahwe, is God, is Allah? Het
antwoord valt uit de Koran zelf op te maken: de tijd doet alles veranderen. De
soera’s uit Mekka, Mohammeds begintijd, verschillen in vorm en inhoud nogal van
de soera’s uit Medina, de tijd waarin Mohammed oorlog voerde. Toen Mohammed in
Mekka verbleef tekende hij verzen op die aanstuurden op barmhartigheid, geduld,
bidden, wachten op het laatste oordeel, alles overlaten aan Allah, maar in
Medina moedigden zijn verzen juist aan tot strijd, de vijanden, de ongelovigen,
joden en christenen moesten worden gedood.
En die soera’s uit Mekka en Medina staan allemaal door elkaar. Geordend immers
op lengte.
Wie de Koran dus als het letterlijke woord van Allah beschouwt, kan alle kanten
op, oftewel: hij staat voor een groot dilemma. Je kunt doden in dienst van
Allah (soera’s uit Medina) of je kunt doden vòòr Allah zelf tot een oordeel
komt, d.w.z. Hem passeren, wat een hovaardij is die je rechtstreeks naar de hel
brengt (soera’s uit Mekka) - 'en een kwade ligplaats is dat, want eeuwig levend
daarin.'
Al met al, hoeveel verzen over barmhartigheid en vergevingsgezindheid er ook in de Koran staan, het is een boek dat vooral met hel en verdoemenis dreigt. Het paradijs dat daar tegenoverstaat is een kitscherig vakantieoord waar hoeren zich geven als maagden ('telkens maagd'), of een uiterst armoedig land waar kinderen zich moeten prostitueren om niet van de honger om te komen.
JV
Zij was geen maagdelijn, geen uiteindelijk
meisje, geen vrome beeltenis, maar een krachtige vrouw met wilde zwarte krullen
en een stralende blik. Haar stem klonk zelfverzekerd en haar lach was
aanstekelijk. Ze moet de zaak overzien hebben en meteen op mij afgelopen zijn:
‘Jij bent van de buurtborrel!!!’ Ik schrok op, stond plotseling oog in oog met
een verpletterende werkelijkheid en begon razendsnel te denken...
‘Als je suïcidaal bent, dan helpt dit je wel over de drempel,’ begon zij.
‘Zelfs als je niet suïcidaal bent,’ pareerde ik, ‘is het eigenlijk al te laat.’
Het klikte meteen.
Al
anderhalf uur zat ik te wachten op mijn buurtgenoten. Zo’n tweehonderdvijftig
genodigden zouden kunnen komen, maar voor de zekerheid had ik toch een boek en
een krant meegenomen. Ik bestelde een jus d’orange bij een vrouw die mij niet
direct voor een van haar belangrijkste klanten hield, aan de bar hing een
eenzame jongen verdoofd over een glas bier en de muziek was van André Hazes. Ik
ging met mijn jus buiten zitten.
Vanaf het terras van ‘grand café Bos en Lommer’, met uitzicht op de markt, keek
ik naar kleurige rokken voor 25 euro en voor 1 euro de kilo komkommers, rode en
groene paprika’s, pompoenen en meloenen. Boven de kraampjes zweefde een wit
plastic tasje, de luchtstroom op het plein zorgde ervoor dat straatvuil omhoog
en omlaag ging, samen met de meeuwen en de duiven. Een gepensioneerd echtpaar
kwam voor mijn tafeltje staan, ik glimlachte vriendelijk, ‘laten we hier gaan
zitten, in de zon,’ zei de vrouw. De man nam het tafeltje naast mij, dat
inderdaad meer zon had, maar wel minder gezelschap. Rechts van mij zat een oude
Marokkaan die een thee vroeg en kreeg, maar niet op de bon. ‘Op het terras
alles contant!’ Hij mompelde wat in het Berbers, waarop de blonde reageerde met
een streng: ‘ik versta je wel, ik weet wat je zegt!’
Ik zou de tijd, tussen vier en zeven, uitzitten. Je weet maar nooit wie er nog
meer zo’n idioot is als ik. Zo’n idioot dacht ik te kunnen herkennen aan een
onzeker, zich afvragend zoeken bij binnenkomst. Maar al wie in en uit liep had
een vaste pas, zonder enige twijfel. Toen de marktkooplieden hun boeltje
inpakten en de ‘veegservice’ de troep opruimde, ging ik het grand café binnen
en nam plaats aan het raam dat uitkeek op de kruising Bos en
Lommerweg-Hoofdweg. De muziek kwam nu uit de jaren zeventig en tachtig, het
beste ervan, ik bestelde een bier en hoorde het nummer van Bill Withers, 1977,
‘A lovely day’, dat mij herinnerde aan een jeugdliefde, terwijl de tramlijnen 7
en 14, de buslijnen 15, 21, 80 en 82 en auto’s, fietsers en voetgangers in een
zachte cadans voorbij gingen, van links naar rechts, van rechts naar links,
rechtsaf en linksaf en andersom. Ik raakte in een vredige stemming, een druk
viel van mij af, ik voelde geen sociale verplichting meer, koesterde geen
enkele...
‘Jij bent van de buurtborrel!!!’
Een klap op mijn hoofd! Ik werd wakker! nu geen gemijmer meer! dit is ernst!
Souhailla
heette zij, spreek uit: soeheelaa, en zij brak het ijs met een praatje over het
weer: ‘Een negroïde vrouw presenteert sinds kort het weer op AT5 en je merkt
het meteen: eindelijk zomer! Ze hadden haar veel eerder moeten aannemen.’
In de wijk is niets gebeurd. Nu ja, een wilde boom werd gesnoeid, een gebouw is uit de lakens, onder KFC ontstond een korte rookontwikkeling en een vrouw beviel bijna op de stoep – de ambulance was er net op tijd bij. Ik kijk een beetje verveeld uit het raam. Aan de overkant hangen dertien slipjes aan de lijn, de veertiende heeft ze aan, denk ik, en één keer in de twee weken wast zij ze. Orde. Tot in de details heerst hier orde en orde biedt ons voorspelbaarheid, vertrouwdheid, veiligheid en geborgenheid. Verrassingen zijn meestal onaangenaam en verrassers meestal ordeverstoorders. Saai is het wel, maar deze saaiheid is toch verre te prefereren boven de activiteiten van een ongeleide jeugd, het jonge bloed dat stroomt en nog niet is gestold.
Ik
ging vanmiddag naar de openbare bibliotheek. Sinds de verhuizing (van
de Tijl Uilenspiegelstraat naar het Bos en Lommerplein) heeft de bieb
meer ruimte en minder boeken. Als je de mensen niet kunt verheffen, dan
probeer je ze tenminste te bereiken – de katholieke kerk heeft dezelfde
weg bewandeld en is eraan te gronde gegaan. Ik liep langs de kasten
‘migranten’, ‘spannende boeken’, ‘pulp’ en ‘onzin’ en kwam bij de paar
kasten ‘overige romans’. Ook hier een boel troep. Maar goed, als je nog
moet beginnen, valt er een start te maken. Door de jammerlijke gaten in
de rijen boeken zag ik een vrouw bewegen van Pirandello naar Zweig.
Er liggen verschillende voorstellen om eens tezamen een kroeg in Bos en Lommer te bezoeken, maar een datum en tijd is nog niet vastgesteld. Niemand onder hen lijkt ervan te weten dat iedere eerste vrijdagmiddag van de maand Bos en Lommerbewoners elkaar ontmoeten in ‘grand café Bos en Lommer’ aan het Bos en Lommerplein. Tussen vier en zeven. Ik hoorde het van mijn buurman. Hij is er zelf een keertje bij geweest en vond het er NIET leuk. Maar hij kan dan ook niet tegen mensen die teveel praten. Vooral niet als ze alles zo goed weten. Of niet beseffen dat wat ze allemaal zeggen geen hond interesseert. Mijn buurman is een fijngevoelig type. Ik geloof dat ik hem begreep, ik ben ook wel eens iemand tegengekomen die zekere tradities hoog hield door al dertig jaar dezelfde verhalen te vertellen en elke keer alsof het voor het eerst was. Mensen zijn moeilijk. Iedereen heeft zo zijn eigen opvattingen en liefhebberijen. De een houdt van Ajax, de ander van Montaigne. Deze meneer luistert naar AK47 en die mevrouw speelt viool en oefent op BWV 1014. Hoe kom je dan tot elkaar? Dat wil ik graag weten en dus noteer ik in mijn agenda op pagina 3 augustus: ‘16.00 uur, grand café’. Zal ik het meemaken om een oude sterke bouwvakker te horen spreken met een jonge frêle studente alphabetie? En als ik zelf word aangesproken, wat moet ik dan zeggen? Elk woord verraadt meteen dat ik van een heel ander continent kom. Ik hoop bij God dat er een Marokkaan bij zit, maar dat zal wel niet.
Bos'lomma,
JV
De mensen vragen mij wel eens hoe het is om
oud te zijn, ik antwoord dan altijd: ach joggie of ach meissie... en meestal
zegt dat genoeg. Ze voelen direct aan dat ik zoveel gezien en beleefd heb, dat
het niet meer 123 te vertellen valt. Toen ik jong was kreeg ik na een lange
avond doorzakken soms het gevoel mijn ziel verloren te hebben, omdat ik alles
had gezegd en helemaal leeg achterbleef, maar tegenwoordig lukt het me niet
meer om volledig te zijn, al zou ik er een jaar de tijd voor krijgen.
Een speciaal verschijnsel van het oud zijn noem ik 'dubbelzien':
bij mensen die ik spreek zie ik gezichten van vroeger, bij straten en pleinen
die ik betreed zie ik huizen en gebouwen of zelfs weilanden en bouwklare
vlaktes van allerlei jaren geleden. Bijvoorbeeld:
hier liep ik in 1930
zo werd het iets later
hetzelfde in 1959
en in 1965
dit was twee jaar geleden
en hier loop ik volgend jaar, zegt de zuster.
Het werk in de bouw zit er voor vandaag op en
de vijf kranen bij het Bos en Lommerplantsoen en de Buskenblaserstraat wijzen
alle in dezelfde richting, waarschijnlijk om bij stilstand zo weinig mogelijk
wind te vangen. Ik kom uit de bibliotheek aan het Bos en Lommerplein waar ik
het boek ‘Een verhaal uit de stad Damsko’ van Hassan Bahara zocht, maar alle
exemplaren bleken uitgeleend. Ik loop even de Albert Heijn in op zoek naar een
fles rode wijn. Als ik voor het juiste schap sta, hoor ik de vele wijntjes tikken
tegen het glas, gebarend: ‘liefje! drink mij! vijf eurootjes, laat me jou eens
verwennen! kom liefje, neem mij dan toch!’ De hoeren. Maar... lekkere hoeren.
Ik kies een donkere Afrikaanse. Met haar in een Albert Heijntasje ga ik de Bos
en Lommerweg op, links kastanje- en rechts lindebomen, en wandel langs een rijk
winkelbestand naar boekhandel Omta, waar ik bij de B vind wat ik zocht. Ik word
door mevrouw Omta zelf geholpen – zij heet echt zo en is betrokken bij en
belangrijk voor onze wijk. Ik maak geen praatje met haar, uit verlegenheid,
maar reken af als een gewone klant en verlaat de winkel. Even verderop neem ik
plaats op het terras van Podium Mozaïek, bestel een Turkse koffie, pak het boek
uit en begin te lezen: ‘De 4-havoscholier Kader Zeroual, zeventien jaar oud,
staat voor de spiegel in de badkamer en zegt: “Heb je het tegen mij?”’

‘Het is kwart voor acht.’ Of is het vijf voor
twaalf? Zelden heb ik zo’n hilarisch en zo’n deprimerend boek gelezen over de
jeugd van tegenwoordig. Ik ben inmiddels thuis, de schemer valt in als... tja,
als wat valt de schemer in? en ik vraag mij af of de jongeren in Bos en Lommer
net zo hopeloos zijn als in Bahara’s ‘Damsko’. Ik heb geen idee, ik ken ze
alleen van in het voorbijgaan. Groepjes jongens die met elkaar praten over –
wat ik ervan opvang – gewone onderwerpen, en meisjes die, gepaard, vaak gehoofddoekt,
gezellig pratend en lachend over straat gaan. Het komt me hier allemaal wat
mediterraan voor, alsof ik elke dag op vakantie ben.
Ikzelf kom dan ook uit een volkswijk met een vooral blanke populatie waar het
naar mijn beleving benauwder was en grimmiger toeging. Op school een streng
regiem en buiten school vechtpartijen, vernielingen, brandstichting,
snoepautomaten die met vuurwerk werden opgeblazen, vogels die met luchtpistolen
werden doodgeschoten of buksen waarvan ik de kogels nog op mijn huid voel.
Vijftien jongens op de hoek van de straat, allen met brommers die ze dagelijks
lieten horen, ‘hangjongeren’ heten ze nu, alsof ze nooit hebben bestaan en niet
altijd al bestonden, die last gaven, wat nu ‘overlast’ heet. En wie er wat van
zei, werd uitgescholden voor oud wijf of ouwe lul, of werd – als ie niet oud
was – in elkaar geslagen.
(Bos en Lomerweg 1962)
In de hogere klassen, zo heb ik begrepen uit klassieke en recente literatuur,
is de jeugd al net zo’n jungle waar je als kind moet vrezen voor je leven.
Volwassenen begrijpen niks van die wereld, vreemd genoeg, tenzij ze eens terugdenken
aan hun eigen kinderjaren – maar voor velen is dat misschien een traumatische,
liefst te verdringen herinnering.
JV
Ik heb op mijn balkon een net aangebracht dat
mij tegen duivenoverlast moet beschermen. Maar postduiven zijn echte
doorzetters en onbegrijpelijk dom, waardoor ze wel door de kleinste opening
weten binnen te dringen, maar niet weer door diezelfde opening naar buiten
kunnen komen. Ik help zo’n duif dan, hij vliegt bij mijn komst in het net,
verstrikt zich, ik pulk hem uit de mazen los en laat hem vrij. Omdat het net
niet overal zo vast zit, meende ik laatst dat een duif tussen balustrade en net
naar beneden gevallen was en weggevlogen; een paar dagen later echter, leunend
over de balustrade, zag ik een dooie duif hangen, zijn poten verstrikt in de
mazen. In De Pijp krijg je in zo’n geval briefjes in de bus waarop staat:
‘moordenaar!’ en in Oud-Zuid, waar ze iets milder zijn, schrijven ze:
‘dierenbeul!’, maar hier in Bos en Lommer hebben de mensen respect voor
culturele gebruiken, beschouwen ze zo’n dode vogel als een amulet tegen boze
geesten en krijg je geen post.
Nu ja, geen wonder, denkt u wellicht, de mensen daar lezen noch schrijven! maar
ik zeg u: de bewoners hier reageren alleen op onderwerpen die van belang zijn:
een stadsdeelraadslid dat 30.000 mensen aanschreef om te discussiëren over de
'problemen in de wijk’ kreeg 5 blanke personen in een zaaltje, die zeken over
een losliggende tegel of een plastic tasje dat niet naar behoren in een
vuilnisbak was gedeponeerd, terwijl ikzelf eens een briefje schreef van twee
alinea’s (over een concrete renovatie en haar praktische consequenties) waarop
van de 140 geadresseerden er 70 kwamen opdagen, allemaal allochtonen: mannen,
vrouwen en kinderen!
Op mijn balkon heb ik twee plantenbakken staan. Wat daarin te planten? Ik ben
niet naar een tuincentrum gegaan, maar heb mijn bakken toevertrouwd aan de Bos
en Lommer-wind en al wat die brengt: vorig jaar had ik wilgenroosje, gipsplant,
gewoon duizendblad, witbolgras en moerdistel, dit jaar bloeit witte
honingklaver, scherpe boterbloem, iets dat lijkt op kamille en paardenbloem. De
lucht is hier zo rijk aan zaad dat hooikoortspatiënten huilend over straat
gaan. Mogelijk dank ik die bloemenpracht en lieflijke tranen aan de
Brettenzone, gelegen aan de rand van deze wijk en op Google goed voor 1180
hits.
JV
De
wind is noordoost en trekt aan, ergens op een balkon begint een Tibetaans
klokkenspel vervaarlijk te klingelen. Waarschijnlijk moet er een rustgevende,
meditatieve werking vanuit gaan, maar ik merk daar niets van. Nu hoor ik ook de
klok van de Boomkerk aan de Admiraal de Ruyterweg luiden, eerst drie maal, dan
nog eens drie maal en dan nog eens drie maal en ten slotte dertig of veertig
keer aaneensluitend. Wat betekent dat drie maal drie en dan de rest? Het is een
oproep tot het Angelusgebed, een gebed dat in de 15de eeuw werd
ingevoerd toen de Turken het christelijk Europa bedreigden. Het werd gebeden om
zes uur ’s ochtends, bij het openen van de stadspoorten, om twaalf uur ’s
middags, zogezegd bij aanvang van de lunch, en om zes uur ’s avonds, bij het sluiten
van de stadspoorten. Het gebed moest bescherming bieden en de vrede behouden en
bestond en bestaat uit evangelische verzen over Maria: de aankondiging van de
engel Gabriël dat zij zwanger zal worden, haar overgave aan de wil van God,
haar zoon die het vleesgeworden Woord is en haar rol voor ons als
Voorspreekster – het verband met bescherming en vrede is mij niet helemaal
duidelijk, maar die losheid tref ik wel vaker aan bij godsdienstige rituelen
(zo wordt bij een Marokkaanse bruiloft de bruid toegezongen en toegejuicht met:
‘Salaat oe Salaam’ (bid en verwelkom), ‘Laah Rasoelah’ (profeet), ‘illah zanna
sidi Mohammed’ (daar komt heer Mohammed), ‘a za mah za Ali’ (Ali is ook mee) en
‘Oei oei oei’ (oerkreten) in plaats van met een Wagneriaans ‘Daar komt de
bruid’).
Ikzelf ben atheïst, ik ben weliswaar van katholieke huize en heb ten behoeve
van mijn integratie de Koran gelezen, maar blijf er toch bij dat AH het aller
heiligste is en zijn caissières het morele symbool van alle poorten der
afrekening.
JV
Het Gemeentearchief van Amsterdam heeft een
'beeldbank' (www.beeldbank.amsterdam.nl) waarop u kunt zien hoe uw woning
vroeger was - of nog niet was.
Dit is de Gibraltarstraat en omgeving, de
speelvijver, gezien vanuit de Kijkduinstraat richting de Solebaystraat,
met voor, links, achter, rechts en in het midden kinderen, kinderen en
kinderen. Augustus 1953. De geboortegolf of (zoals men tegenwoordig zegt)
-tsunami. Geen oorlog meer, alleen nog toenemende welvaart. Een prachtige tijd
van leven.Ik las in het NRC Handelsblad Magazine over
rijke tweeverdieners die geen woning konden kopen binnen de ring van Amsterdam,
omdat een krot van 50 m2 al gauw drie ton kostte. Maar wat een wensen hebben
die lieden! Ze bezoeken een voormalige arbeiderswoning en verwachten een
vrijstaand huis! En die woning moet per se in het Centrum, de Jordaan of in
Oud-Zuid zijn gelegen. Ze gaan kijken in de Marnixstraat, 275.000 euro voor een
‘studio’, acht wachtenden voor hen, maar een woning als de mijne, in Bos en
Lommer, 135.000 euro, zien ze niet staan. Hun nood is dus of niet zo hoog of
wel, maar dan zijn ze dom en blind tegelijk, d.w.z. koppig als nare, verwende
kinderen. Hun gefrustreerde analyses van de woningmarkt zijn navenant:
enerzijds menen ze larmoyant dat beschaafde mensen als zij buitengesloten
worden, zodat de stad achterblijft met alleen financieel minder draagkrachtige
mensen, anderzijds menen ze jaloers dat de stad alleen nog betaalbaar is voor
de allerrijksten. Tja, wat is het nou? Het zijn trouwens diezelfde lieden die
de prijs zo opdrijven: ze zijn echt gek en de verkoper vraagt natuurlijk wat
die gek ervoor geeft.
JV
Ik hoor kinderen spelen op straat, ze proberen
vanaf de ene stoeprand een bal tegen de andere stoeprand te werpen en wel zo
dat ie terugstuitert, maar dat lijkt niet zo makkelijk te zijn. Het trotse lied
van een merel maakt de halve straat tot bezet gebied, de nadering van een
potentiële indringer wordt beantwoord met een gekwetter als mitrailleurvuur en
de merel zelf als recht op het doel afvliegende ammunitie. Ik hoor Marokkaanse
vrouwen met elkaar praten, ze zetten elke zin met hoge tonen in en gaan na drie
woorden twee octaven omlaag om de resterende woorden uit te spreken – het
klinkt heel muzikaal. Ik versta niet wat zij zeggen, maar bij opera’s van
Mozart kun je de tekst ook beter naast je neer leggen. Dan het ‘oe oe’ van een
houtduif, vleugelgeklapper, een buitendeur die dichtvalt, servies dat in een
droogrek tegen elkaar komt, een brommer en bladeren in de wind. De geur die uit
het huis van mijn Turkse buren komt, en die ik bij vlagen net kan opvangen, wil
ik ook hebben, maar waar komt die bloemige lucht vandaan? Uit een geurbuiltje
of van een wasverzachter? Ik hoor een tram en een bus langs gaan, auto’s over
de Bos en Lommerweg en de A 10, een scheepstoeter uit het ‘Havengebied-west’ en
als ik mij goed concentreer ergens ver weg een vliegtuig. Soms ruik ik hier de
uitlaatgassen van het snelwegverkeer en soms de rook van de vuilverbranding,
net hoe de wind staat – het is de stank van de beter bedeelden, zij die het
geld verdienen en eigenlijk, als je het goed bekijkt, voor ons, armzaligen,
zorgen.
JV
(interieur 1953)
(interieur 2007)
(exterieur 1951)
(exterieur 2007)Ik
werd enkele jaren geleden van achteren aangevallen, gemolesteerd en beroofd
door twee jongemannen. Om half tien ’s avonds, onderweg naar een
verjaardagsfeestje. Ik deed aangifte bij de politie en stond die volgende week
in de krant. Sindsdien ben ik bang en extra alert op straat en zie zelfs gevaar
waar niets loos is. Sindsdien ook doe ik aan karate en dat blijkt goed te zijn voor
lichaam en geest. Maar alhamdoelilla oftewel godzijdank gebeurde die
gewelddadige beroving niet in Amsterdam, maar in een provinciestad (daar waar
men Amsterdam groot en gevaarlijk vindt), en niet door buitenlanders, maar door
kaalkoppige blanken (skinheads die de pest hebben aan buitenlanders).
Vannacht fietste ik van mijn werk naar huis, op de Hoofdweg liep een vrouw van
middelbare leeftijd alleen over straat, op de Bos en Lommerweg liepen twee
jonge Marokkanen, ze lachten en hadden het over een of andere film, even
verderop liep nog zo’n stel dat naar clipmode was gekleed en... ik kon niet
horen waarover deze jongens spraken. Op een terrasje voor shoarma grillroom
‘Bir tat’ zaten drie Turkse mannen. Bij het postkantoor daartegenover pinde ik
20 euro. Ik fietste naar ‘Avondverkoop Bos en Lommer’ en zag een mooi, blond
meisje geheel alleen met haar pas gekochte boodschappen naar buiten gaan. Ik
kocht een flesje wijn en de Marokkaanse winkelier zei bij het afrekenen: ‘nog
een fijne dag verder’. Vanuit het licht van de avondwinkel trok ik weer de
duisternis in en bereikte mijn straatje dat nog donkerder was. Uit een busje
stapte iemand met een baard en een djellaba, hij groette mij ‘dag buurman!’ en
ik groette hem terug ‘dag buurman!’.
Ondanks mijn trauma had ik in deze nacht en in deze buurt geen last van die
wijd en zijd beruchte ‘onveiligheidsgevoelens’.
JV
mijn huidige woonstede.
'De beschaving is niks anders dan de catastrofe in een leefbare toestand.' En leefbaar is het hier. Als ik uit het raam kijk zie ik mijn buren de was van de lijn halen, een paar biertjes uit een krat trekken, koken in de keuken, typen achter een computer, een sigaret roken op het balkon (want sinds kort een kind) en stofzuigen in de kamer. Ikzelf kijk naar de enorme populier, wier bladeren ratelen, maar die toch geen ratelpopulier heet. Vaak zie ik de zon bij prachtige luchten ondergaan achter de daken en die boom, maar vandaag regent het. Ergens uit een open venster klinkt zacht getingeltangel van een klavecimbel - een fuga van Bach? Horizontaal scheren meeuwen, kauwen, eksters, merels en duiven langs. Beneden mij merk ik in de heesters kleine vogeltjes op die geen mussen zijn en ook geen koolmeesjes.
Vanochtend scheen de zon en las ik een boek op mijn balkon; als ik daar mijn naaste buren soms hoor praten, versta ik hen niet en dat is weldadig. Op straat groet ik hen en een enkele keer maak ik ook een praatje, maar de taalbarriere is voldoende groot om niet al te zeer geïnvolveerd te raken in elkaars bestaan en dat is een waarborg voor mijn privacy.
Johannes Verhulst.