Ik hoor kinderen spelen op straat, ze proberen
vanaf de ene stoeprand een bal tegen de andere stoeprand te werpen en wel zo
dat ie terugstuitert, maar dat lijkt niet zo makkelijk te zijn. Het trotse lied
van een merel maakt de halve straat tot bezet gebied, de nadering van een
potentiële indringer wordt beantwoord met een gekwetter als mitrailleurvuur en
de merel zelf als recht op het doel afvliegende ammunitie. Ik hoor Marokkaanse
vrouwen met elkaar praten, ze zetten elke zin met hoge tonen in en gaan na drie
woorden twee octaven omlaag om de resterende woorden uit te spreken – het
klinkt heel muzikaal. Ik versta niet wat zij zeggen, maar bij opera’s van
Mozart kun je de tekst ook beter naast je neer leggen. Dan het ‘oe oe’ van een
houtduif, vleugelgeklapper, een buitendeur die dichtvalt, servies dat in een
droogrek tegen elkaar komt, een brommer en bladeren in de wind. De geur die uit
het huis van mijn Turkse buren komt, en die ik bij vlagen net kan opvangen, wil
ik ook hebben, maar waar komt die bloemige lucht vandaan? Uit een geurbuiltje
of van een wasverzachter? Ik hoor een tram en een bus langs gaan, auto’s over
de Bos en Lommerweg en de A 10, een scheepstoeter uit het ‘Havengebied-west’ en
als ik mij goed concentreer ergens ver weg een vliegtuig. Soms ruik ik hier de
uitlaatgassen van het snelwegverkeer en soms de rook van de vuilverbranding,
net hoe de wind staat – het is de stank van de beter bedeelden, zij die het
geld verdienen en eigenlijk, als je het goed bekijkt, voor ons, armzaligen,
zorgen.
JV