Het werk in de bouw zit er voor vandaag op en
de vijf kranen bij het Bos en Lommerplantsoen en de Buskenblaserstraat wijzen
alle in dezelfde richting, waarschijnlijk om bij stilstand zo weinig mogelijk
wind te vangen. Ik kom uit de bibliotheek aan het Bos en Lommerplein waar ik
het boek ‘Een verhaal uit de stad Damsko’ van Hassan Bahara zocht, maar alle
exemplaren bleken uitgeleend. Ik loop even de Albert Heijn in op zoek naar een
fles rode wijn. Als ik voor het juiste schap sta, hoor ik de vele wijntjes tikken
tegen het glas, gebarend: ‘liefje! drink mij! vijf eurootjes, laat me jou eens
verwennen! kom liefje, neem mij dan toch!’ De hoeren. Maar... lekkere hoeren.
Ik kies een donkere Afrikaanse. Met haar in een Albert Heijntasje ga ik de Bos
en Lommerweg op, links kastanje- en rechts lindebomen, en wandel langs een rijk
winkelbestand naar boekhandel Omta, waar ik bij de B vind wat ik zocht. Ik word
door mevrouw Omta zelf geholpen – zij heet echt zo en is betrokken bij en
belangrijk voor onze wijk. Ik maak geen praatje met haar, uit verlegenheid,
maar reken af als een gewone klant en verlaat de winkel. Even verderop neem ik
plaats op het terras van Podium Mozaïek, bestel een Turkse koffie, pak het boek
uit en begin te lezen: ‘De 4-havoscholier Kader Zeroual, zeventien jaar oud,
staat voor de spiegel in de badkamer en zegt: “Heb je het tegen mij?”’

‘Het is kwart voor acht.’ Of is het vijf voor
twaalf? Zelden heb ik zo’n hilarisch en zo’n deprimerend boek gelezen over de
jeugd van tegenwoordig. Ik ben inmiddels thuis, de schemer valt in als... tja,
als wat valt de schemer in? en ik vraag mij af of de jongeren in Bos en Lommer
net zo hopeloos zijn als in Bahara’s ‘Damsko’. Ik heb geen idee, ik ken ze
alleen van in het voorbijgaan. Groepjes jongens die met elkaar praten over –
wat ik ervan opvang – gewone onderwerpen, en meisjes die, gepaard, vaak gehoofddoekt,
gezellig pratend en lachend over straat gaan. Het komt me hier allemaal wat
mediterraan voor, alsof ik elke dag op vakantie ben.
Ikzelf kom dan ook uit een volkswijk met een vooral blanke populatie waar het
naar mijn beleving benauwder was en grimmiger toeging. Op school een streng
regiem en buiten school vechtpartijen, vernielingen, brandstichting,
snoepautomaten die met vuurwerk werden opgeblazen, vogels die met luchtpistolen
werden doodgeschoten of buksen waarvan ik de kogels nog op mijn huid voel.
Vijftien jongens op de hoek van de straat, allen met brommers die ze dagelijks
lieten horen, ‘hangjongeren’ heten ze nu, alsof ze nooit hebben bestaan en niet
altijd al bestonden, die last gaven, wat nu ‘overlast’ heet. En wie er wat van
zei, werd uitgescholden voor oud wijf of ouwe lul, of werd – als ie niet oud
was – in elkaar geslagen.
(Bos en Lomerweg 1962)
In de hogere klassen, zo heb ik begrepen uit klassieke en recente literatuur,
is de jeugd al net zo’n jungle waar je als kind moet vrezen voor je leven.
Volwassenen begrijpen niks van die wereld, vreemd genoeg, tenzij ze eens terugdenken
aan hun eigen kinderjaren – maar voor velen is dat misschien een traumatische,
liefst te verdringen herinnering.
JV