Zij was geen maagdelijn, geen uiteindelijk
meisje, geen vrome beeltenis, maar een krachtige vrouw met wilde zwarte krullen
en een stralende blik. Haar stem klonk zelfverzekerd en haar lach was
aanstekelijk. Ze moet de zaak overzien hebben en meteen op mij afgelopen zijn:
‘Jij bent van de buurtborrel!!!’ Ik schrok op, stond plotseling oog in oog met
een verpletterende werkelijkheid en begon razendsnel te denken...
‘Als je suïcidaal bent, dan helpt dit je wel over de drempel,’ begon zij.
‘Zelfs als je niet suïcidaal bent,’ pareerde ik, ‘is het eigenlijk al te laat.’
Het klikte meteen.
Al
anderhalf uur zat ik te wachten op mijn buurtgenoten. Zo’n tweehonderdvijftig
genodigden zouden kunnen komen, maar voor de zekerheid had ik toch een boek en
een krant meegenomen. Ik bestelde een jus d’orange bij een vrouw die mij niet
direct voor een van haar belangrijkste klanten hield, aan de bar hing een
eenzame jongen verdoofd over een glas bier en de muziek was van André Hazes. Ik
ging met mijn jus buiten zitten.
Vanaf het terras van ‘grand café Bos en Lommer’, met uitzicht op de markt, keek
ik naar kleurige rokken voor 25 euro en voor 1 euro de kilo komkommers, rode en
groene paprika’s, pompoenen en meloenen. Boven de kraampjes zweefde een wit
plastic tasje, de luchtstroom op het plein zorgde ervoor dat straatvuil omhoog
en omlaag ging, samen met de meeuwen en de duiven. Een gepensioneerd echtpaar
kwam voor mijn tafeltje staan, ik glimlachte vriendelijk, ‘laten we hier gaan
zitten, in de zon,’ zei de vrouw. De man nam het tafeltje naast mij, dat
inderdaad meer zon had, maar wel minder gezelschap. Rechts van mij zat een oude
Marokkaan die een thee vroeg en kreeg, maar niet op de bon. ‘Op het terras
alles contant!’ Hij mompelde wat in het Berbers, waarop de blonde reageerde met
een streng: ‘ik versta je wel, ik weet wat je zegt!’
Ik zou de tijd, tussen vier en zeven, uitzitten. Je weet maar nooit wie er nog
meer zo’n idioot is als ik. Zo’n idioot dacht ik te kunnen herkennen aan een
onzeker, zich afvragend zoeken bij binnenkomst. Maar al wie in en uit liep had
een vaste pas, zonder enige twijfel. Toen de marktkooplieden hun boeltje
inpakten en de ‘veegservice’ de troep opruimde, ging ik het grand café binnen
en nam plaats aan het raam dat uitkeek op de kruising Bos en
Lommerweg-Hoofdweg. De muziek kwam nu uit de jaren zeventig en tachtig, het
beste ervan, ik bestelde een bier en hoorde het nummer van Bill Withers, 1977,
‘A lovely day’, dat mij herinnerde aan een jeugdliefde, terwijl de tramlijnen 7
en 14, de buslijnen 15, 21, 80 en 82 en auto’s, fietsers en voetgangers in een
zachte cadans voorbij gingen, van links naar rechts, van rechts naar links,
rechtsaf en linksaf en andersom. Ik raakte in een vredige stemming, een druk
viel van mij af, ik voelde geen sociale verplichting meer, koesterde geen
enkele...
‘Jij bent van de buurtborrel!!!’
Een klap op mijn hoofd! Ik werd wakker! nu geen gemijmer meer! dit is ernst!
Souhailla
heette zij, spreek uit: soeheelaa, en zij brak het ijs met een praatje over het
weer: ‘Een negroïde vrouw presenteert sinds kort het weer op AT5 en je merkt
het meteen: eindelijk zomer! Ze hadden haar veel eerder moeten aannemen.’