De hemel hangt als een geoxideerde
aluminiumplaat boven de wijk. Het bladgroen van de bomen en struiken slaat
grijs uit. Ik loop langs stalen steigers van een woningencomplex in aanbouw en
ruik het natte beton. De voorbijgangers hebben hun jassen weer aangetrokken en
zijn vormeloze stoffen gedrochten geworden. Als het straks gaat motregenen, dan
gaan die jassen bovendien stinken. Ikzelf ben lelijk, mijn gelaat is grauw,
onder mijn ogen de wallen die ook na een nacht goed slapen niet meer
wegtrekken. Eigenlijk zou ik niet naar buiten mogen, zo onder de mensen, maar
op enkele jonge meisjes na ziet iedereen en alles er vandaag wanstaltig uit, al
doen we alsof er niks aan de hand is. Het is koud. Ik denk dat ik een
leverkwaal heb, en God weet wat nog meer sinds ik een kwartier in de wachtkamer
van de huisdokter doorbracht, maar de dokter heeft niets kunnen vinden. Toen ik
de praktijk verliet zag ik een GSM-zendmast op het dak aan de overkant staan en
begon mij iets te dagen. Terwijl ik die straling in mijn benen voel, betreed ik
de trappen naar het plein en zie voor mij een moslima lopen in een getailleerd
jasje en lange rok. Omdat zij ook naar de bibliotheek lijkt te gaan, houd ik
mijn pas in, anders denkt zij misschien dat ik haar achtervolg. Het is maandag
en op maandag is er geen markt op het plein. Ik stap een grote glazen hal
binnen en ga de trap op, waarvan ik halverwege uitkijk op een file van de A 10
west. Eenmaal in de bibliotheek koop ik enkele afgeschreven boeken en reken af
bij de balie. Even is er een probleempje, want het personeel mag niet meer met
geld omgaan, waardoor ik moet betalen via mijn bibliotheekpasje bij een
betaalautomaat, maar ik heb mijn pasje niet bij me. ‘Het is vanwege de
veiligheid,’ verontschuldigt de medewerkster zich en vindt gelukkig een
oplossing. Weer terug op het plein word ik bevangen door een schemering, het
schemerde buiten wel, de hele dag eigenlijk al, maar deze duisternis wordt
veroorzaakt door uitvallende hersengebieden: ik ga dood. Een doodsangst gonst
door heel mijn lichaam en ik denk verbaasd: ‘ik hoef er niet eens zelfmoord
voor te plegen.’ Ik bedank mijn ouders, mijn broers en zusters, mijn nichtjes
en neven, Souhailla, Hassan die vandaag jarig is, Eline, Lotte, mijn collega’s
en al die andere mensen die mij lief zijn. En nu trekt er geen angst, maar
louter liefde door mijn lijf. En het vreemde is: ik sta en val niet neer. Een
man in een leren jack passeert mij en zijn geur brengt een herinnering naar
boven uit mijn kinderjaren. Maar niet zie ik mijn héle leven als in een film
voorbijgaan. Ik sta hier nu al enige tijd en het begint op te vallen. Het
begint te motregenen. Voorzichtig zet ik een stap. En nog een. ‘Je moet net
doen alsof je niet dood gaat,’ adviseer ik mezelf. En waarachtig, ik wandel en
kom uiteindelijk thuis.
JV