Het is 9 graden Celsius, zacht voor de tijd van het jaar, en het is droog, al zijn de straten nog nat. Net regende het modder, zo zwaar en somber waren de druppels. Omdat het de komende dagen, weken en maanden nou eenmaal niet anders zal wezen, trek ik mijn jas aan, loop door de straten en zoek een bankje uit op de Bos en Lommerweg. Ik wil én tussen de mensen verkeren én lezen in mijn boekje van Joseph von Eichendorff, ‘Aus dem Leben eines Taugenichts’. Het winkelend publiek stoort zich niet aan mij en er komen geen mensen naast me zitten die voor mij afleidend zijn. Toch kan ik me niet direct goed concentreren; behalve dat het hier toch wat koud aanvoelt en mijn broek regenwater van de bank heeft opgenomen, speelt de vraag door mijn hoofd of mijn stemming het weer beïnvloedt of het weer mijn stemming. Het is me namelijk opgevallen dat ik vaak vrolijk ben als de zon schijnt en verdrietig als het regent, zonder dat ik had opgelet wat als eerste kwam. En nou ik goedgemutst met Eichendorff buiten zit, lijkt zowaar de zon voorzichtig door te breken.
Vorige week las ik in de openbare bibliotheek de kranten, ik voelde mij leeg en saai en het verbaasde mij niet dat ook het nieuws leeg en saai was. Mijn gevoelens hebben invloed op de wereld! U kunt zich voorstellen dat ik mij schuldig voelde. Maar ik wist nog niet dat er een verband bestond! Aanvankelijk probeerde ik een wederzijdse onafhankelijkheid te bewerkstelligen, maar ja: hoe? Later bleek een positieve beïnvloeding de enige oplossing.
Daarom zit ik hier nu te lezen in een mooi romantisch boekje waarin de zon schijnt en de mensen aardig zijn. Ook heb ik iets gevonden voor dat lezen van kranten. Om uit de negatieve spiraal te komen, van saai naar saai nieuws en van somber naar somber nieuws om daar dan weer saai en somber van te worden met alle gevolgen van dien, besloot ik geen kranten meer te lezen en dat half uur te besteden aan iets dichterbij. Ik kijk naar de straat voor mijn deur, verwijder wat zwerfvuil, leg een tegel recht, groet voorbijgangers die ik niet ken en leer de kinderen dat mij na te doen. Ik hoor in mijn hoofd, terwijl ik een blikje uit de gemeenschappelijke tuin oppak, over de machteloosheid van de burger. Wat voor machteloosheid is dat? Mij komt die voor als een zinloos klagen. Alles eisen, alles naïef verwachten, maar zelf louter voor de televisie hangen en scheten laten. Het zijn kinderen, denkt de ambtenaar geïrriteerd, maar zijn het kinderen? En moet je ze als zodanig behandelen?
Zie je! Zie je! Het begint weer te regenen. Ik wist het! Dat gezeik!
Ik sla mijn boekje dicht en sta op. Een jongetje komt naar mij toe en vraagt: 'Wordt het oorlog?' Waarom vraagt hij dat aan mij? Ik kijk hem vriendelijk en recht in de ogen aan en antwoord: 'Als je wilt wel.'
JV